de vader van Robert Fisk In het algemeen ben ik een groot bewonderaar van het werk van Robert Fisk, maar wat hij zegt in zijn ‘Elfnovemberlezing’ (zie De Morgen van 12 november) stelt me teleur. Willen we iets begrijpen van de slachtpartij van 1914-18 – voor zover het onvoorstelbare te begrijpen is – dan moeten we terug naar de jaren die eraan vooraf gingen. En dat doet Geert Mak in ‘De eeuw van mijn vader’ op een schitterende manier. Hij heeft het over een tijdperk van jeugdige overmoed, opgeklopt testosteron, stelselmatige overbewapening en opgefokt patriottisme. Hij onderstreept dat de soldaten die in 1914 naar het front trokken in een jubelstemming waren alsof ze ‘naar een picknick gingen’. Kortom, de verdwazing regeerde. De vraag is dan ook wat we hiermee kunnen aanvangen en wat we bijvoorbeeld moeten denken van de voortdurende verering voor de helden van de Eerste Wereldoorlog. De meest gretige bezoekers van de oorlogskerkhoven in de Westhoek zijn zonder twijfel de Britten. En tegelijk stellen we vast dat de Engelsen als eerste klaar staan om deel te nemen aan een oorlog, zelfs voor een paar totaal irrelevante rotseilandjes zoals ten tijde van de Falklands. Ik ben zelf getuige geweest van een ‘studiebezoek’ van Engelse scholieren in de buurt van de Kemmelberg: de orgie van vernielzucht werd door de begeleidende leerkracht verteld als een spannend avontuur met de strategische en tactische vindingrijkheid van een voetbalwedstrijd. Voed je zo jonge mensen op tot een afschuw voor de oorlog? Naar mijn mening zitten we grondig fout met onze heldenverering. De ware helden zijn al diegenen die tot het laatste moment zich ingespannen hebben om de slachtpartij te voorkomen. Ik heb het dan over intellectuelen en kunstenaars zoals Frederik van Eeden, Sigmund Freud en Jean Jaurès. En ten tweede de soldaten van beide kanten die bij de eerste Kerstmis van de zogeheten ‘Groote Oorlog’ elkaar in de armen sloten en helemaal geen zin meer hadden om verder te vechten. Ze moesten door hun officieren afgedreigd worden om de wapens weer op te nemen. Daarom zouden we twee dingen moeten doen. We zouden alle straatnaamborden die verwijzen naar de generaals en maarschalken van Wereldoorlog I moeten verwijderen en vervangen door de namen van antimilitaristen. De legeraanvoerders (en regeringsleiders) van 14-18 waren massamoordenaars en dat mogen we in alle duidelijkheid leren aan de jeugd. Ten tweede zou er een monument mogen komen voor de Bekende Deserteur(s), liefst een deserteur van beide partijen. We zouden de mensen mogen eren die hebben geweigerd te participeren aan deze misdadige waanzin. Alleen zo kunnen we een attitude bevorderen die de bevolking bijbrengt dat oorlog of militaire interventie het uiterste middel is dat slechts zeer uitzonderlijk en om weloverwogen redenen mag worden aangewend. Het zou ons kunnen leiden tot een bezinning over het voortbestaan van de Nato: heeft deze organisatie nog enige zin in een geglobaliseerde wereld waar de mensenrechten eventueel zouden moeten verdedigd worden door een interventiemacht van de UNO, in naam van de mensheid en niet in naam van enkele machtige landen? De soldatenkerkhoven in de Westhoek en in Noord-Frankrijk zijn om met Berthold Brecht te spreken veel te esthetisch: ze stimuleren eerder de romantiek dan het kritische denken. Het is aan intellectuelen als Robert Fisk om de leugens te ontmaskeren en ons zo te behoeden voor een eindeloos vervolgverhaal van destructieve verstandsverbijstering. de haan 12 nov. 09 |