de eerste sneeuw het ontwaken is licht van sneeuw, straatlantaarns strooien hun geel over de daken stiller draait de wereld, wagens kruipen als verdoofde kevers, blijven als letters binnen de schoolse lijntjes waar zijn je wanten van vroeger, de kooltjes voor de ogen, de rode wortel voor een neus, de bezem van biezen om als de lans van een schildwacht op te steken we maakten als goden een nieuwe mens, een vreemde die vrolijk leek en vreesaanjagend: soms bleef hij weken in de tuin, soms zonk hij ’s anderendaags als een klacht in elkaar we vroegen waar hij wou gaan indien hij als een kind kon bewegen: zou hij ons nadoen en een menigte maken, leider van een leger? helder is het ontwaken, je wil de gordijnen open, je ziet een schim op de daken, een bussel van biezen, een buishoed van een deftig mijnheertje waar zijn je wanten, je droomt als een jonge god, de sneeuw wenkt van alle kanten |